Op het stationsplein van Rotterdam Centraal, een plek waar dagelijks duizenden mensen elkaar kruisen, werd onlangs een standbeeld beklad met een racistische leus. Geen afgelegen muur of vergeten steeg, maar een object midden in het publieke hart van de stad.

Duizenden reizigers liepen erlangs, sommigen schudden hun hoofd, anderen maakten een foto’s of deelden hun verontwaardiging. Wat vooral bleef hangen, was niet alleen de tekst zelf, maar de zichtbaarheid ervan en het feit dat die zichtbaarheid bleef. Het incident is geen uitzondering. Racistische leuzen duiken met regelmaat op in de openbare ruimte: op muren van huizen, winkels en gebedshuizen, bij stations, langs snelwegen, op viaducten en geluidswanden, zoals niet zo lang geleden langs de A28. Soms verdwijnen ze snel. Soms blijven ze wekenlang staan. Dat is geen toeval en geen incidentenpolitiek. Het is het resultaat van een systeem dat onvoldoende is ingericht om haatuitingen in de publieke ruimte met de noodzakelijke urgentie aan te pakken.

Geen landelijke norm, geen vaste termijn

Wie verwacht dat er een duidelijke landelijke regel bestaat voor het verwijderen van racistische of discriminerende leuzen, komt bedrogen uit. In Nederland is geen wettelijke termijn vastgelegd waarbinnen dergelijke uitingen uit de openbare ruimte moeten worden verwijderd. De vaak genoemde norm van ‘binnen 24 uur’ bestaat wel, maar vooral als lokale beleidsafspraak, niet als afdwingbare verplichting. Sommige gemeenten hanteren die norm expliciet voor objecten in eigen beheer. Andere doen dat niet, of alleen ‘voor zover uitvoerbaar’. Zodra een leus zich bevindt op een object dat niet gemeentelijk is, zoals een spoorlocatie, een rijksweg of een viaduct, verschuift de verantwoordelijkheid naar andere beheerders, met andere procedures en andere prioriteiten. Daarmee wordt de aanpak van racistische leuzen direct afhankelijk van eigendom en beheer, niet van maatschappelijke impact.

Versnipperde verantwoordelijkheid

De openbare ruimte is bestuurlijk versnipperd. Gemeenten beheren pleinen en straten. Provincies beheren provinciale wegen. Rijkswegen vallen onder Rijkswaterstaat. Spoorinfrastructuur onder ProRail. Elk van deze partijen hanteert eigen afwegingskaders. Bij rijkswegen en spoorlocaties wordt graffiti doorgaans eerst beoordeeld: is de tekst discriminerend, kwetsend of aanstootgevend? Daarna volgt de vraag of verwijdering veilig en uitvoerbaar is. Langs snelwegen en spoorlijnen betekent dat vaak verkeersmaatregelen, afzettingen en aannemers. Dat kost tijd en geld. In die afweging blijft de leus zichtbaar. Strafrechtelijk kunnen racistische leuzen strafbaar zijn, bijvoorbeeld als groepsbelediging of aanzetten tot haat. Maar strafbaarheid betekent niet automatisch verwijdering. Strafrecht en beheer zijn gescheiden werelden. Tussen aangifte en onderhoud ontstaat ruimte waarin niets gebeurt.

Dat racistische leuzen zichtbaar blijven, is geen neutraal gegeven. Voor mensen die zich door de tekst aangesproken of uitgesloten voelen, is het een publieke confrontatie met ongelijkheid. Het signaal is dubbel: niet alleen wat er staat, maar ook dat niemand ingrijpt. Het standbeeld op het stationsplein van Rotterdam werd zo meer dan een kunstobject. Het werd een drager van uitsluiting in een ruimte die voor iedereen toegankelijk hoort te zijn. Zichtbare haat normaliseert. Wat blijft staan, lijkt getolereerd. En dat werkt door: in hoe mensen zich bewegen, hoe veilig zij zich voelen, en in de bereidheid van anderen om het voorbeeld te volgen. Internationaal geldt snelle verwijdering van haatuitingen als een bewezen preventieve maatregel. Niet alleen om slachtoffers te beschermen, maar ook om herhaling te voorkomen. Juist daarom is snelheid cruciaal.

Waarom het systeem tekortschiet en wat is de oplossing?

Dat racistische leuzen soms langdurig blijven staan, komt niet door één fout, maar door een combinatie van factoren: versnipperde verantwoordelijkheden, afhankelijkheid van meldingen, tijdrovende beoordelingen, uitvoeringsproblemen en kostenafwegingen. En bovenal: het ontbreken van een landelijke norm die urgentie afdwingt. Zonder zo’n norm wordt prioritering een keuze, geen plicht. Het resultaat is willekeur. In de ene gemeente wordt snel gehandeld, in de andere niet. Bescherming tegen racisme verschilt per locatie en beheerder. Dat schuurt met het uitgangspunt van gelijke bescherming door de overheid.

De oplossing ligt niet in losse incidentreacties, maar in structurele keuzes en vraagt om bestuurlijke moed. Nederland heeft behoefte aan een landelijke norm: racistische en discriminerende leuzen horen niet thuis in de openbare ruimte en moeten met spoed worden verwijderd, ongeacht waar zij verschijnen. Dat vraagt om heldere verantwoordelijkheden, vaste escalatieroutes en contractuele afspraken met beheerders en aannemers. Maar vooral vraagt het om politieke en bestuurlijke normstelling: de expliciete keuze dat zichtbare haat geen plek krijgt in de publieke ruimte. Zolang die keuze niet wordt gemaakt, blijft het beeld wrang. Dan verdwijnen racistische leuzen niet wanneer ze schadelijk zijn, maar wanneer het systeem er klaar voor is. En precies daar wringt het. Want voor wie dagelijks langs een beklad standbeeld of muur loopt, of langs een racistische tekst langs de snelweg rijdt, is elke dag dat zo’n leus blijft staan, een dag te veel.