Nederland zegt al jaren dat discriminatie en racisme onacceptabel zijn. We spreken het uit in regeerakkoorden, kamerdebatten en beleidsnota’s. We herhalen het bij herdenkingen en internationale verdragen. Maar ondertussen laat de overheid na om die woorden te vertalen naar structurele bescherming in het dagelijks leven van mensen. Dat is geen detail. Dat is een bestuurlijk falen. Het voornemen om in de herziening van het ADV-stelsel af te zien van een wettelijke taak voor gemeenten om lokaal antidiscriminatiebeleid te voeren, is daar een pijnlijk voorbeeld van. Wie dit wegzet als een technische keuze vergist zich. Dit besluit raakt de kern van de rechtsstaat: de vraag of gelijke behandeling een afdwingbaar recht is, of een vrijblijvende belofte.

Discriminatie gebeurt niet in abstracte beleidsstukken. Het gebeurt bij de woningbezichtiging waar iemand wordt overgeslagen. Bij de sollicitatie die nooit wordt beantwoord. In de klas waar verwachtingen lager liggen. Op straat, bij handhaving, in de zorg. Precies daar waar gemeenten de eerste overheid zijn. Dichtbij, zichtbaar, aanspreekbaar. Juist daarom is lokaal antidiscriminatiebeleid geen luxe, maar noodzaak. De feiten zijn bekend. Slechts 37 procent van de gemeenten voert antidiscriminatiebeleid. En van die groep beschikt minder dan de helft over samenhangend, volwaardig beleid. Veel gemeenten verwarren inclusie met antidiscriminatie, of beperken zich tot één doelgroep. Dat is geen onwil, maar het directe gevolg van een systeem dat inzet op vrijblijvendheid. Wie geen duidelijke norm stelt, krijgt versnippering. Wie geen verplichting oplegt, oogst ongelijkheid.

Het wrange is: gemeenten willen wel. Dat blijkt uit gesprekken, congressen, monitors en signalen uit het veld. Maar ambitie zonder wettelijke borging en zonder middelen is een recept voor willekeur. Dan wordt bescherming afhankelijk van politieke prioriteit, lokale begrotingsruimte en bestuurlijke toevalligheden. Dat betekent dat je rechten verschillen per postcode. En dat is onverenigbaar met artikel 1 van de Grondwet. Het argument van “onuitvoerbaarheid” overtuigt dan ook niet. Uitvoerbaarheid is een randvoorwaarde, geen vrijbrief om af te zien van verantwoordelijkheid. De overheid heeft een zorgplicht. Als een taak essentieel is voor de bescherming van grondrechten, dan organiseer je die taak. Dan pas je het stelsel aan, maak je middelen vrij en ondersteun je uitvoering. Wat je niet doet, is de norm schrappen omdat handhaving inspanning kost.

Hier ligt ook een duidelijke opdracht voor het parlement. Wetgeving is geen administratieve exercitie, maar normstelling. De Tweede Kamer bepaalt of gelijke behandeling een serieuze verplichting is of een vrijblijvende ambitie. Wegkijken is geen neutrale keuze. Het is een keuze met gevolgen voor mensen die nu al te maken hebben met uitsluiting.

Wie werkelijk discriminatie wil bestrijden, moet bereid zijn om verantwoordelijkheid te beleggen waar die hoort: lokaal, wettelijk en met middelen. Alles daaronder is schijnzekerheid. Mooie woorden zonder bescherming. Gelijkheid zonder garantie. Het is nog niet te laat. Juist daarom is heroverweging noodzakelijk. Niet uit zwakte, maar uit bestuurlijke wijsheid. Want in een rechtsstaat geldt één eenvoudige waarheid: beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald.

Rabin Baldewsingh,

Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme