Er zijn momenten in het openbaar bestuur waarop woorden eindelijk gewicht krijgen. Waar beloftes niet langer blijven hangen in beleidsnota’s, intentieverklaringen of politieke welwillendheid, maar worden omgezet in structurele werkelijkheid. Het voornemen van het nieuwe minderheidskabinet om de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR) wettelijk te verankeren, is zo’n moment.
Laat ik helder zijn: dit is goed nieuws. Niet voor mij persoonlijk, maar voor Nederland. Toen de functie van NCDR werd ingesteld, stond het al zwart op wit: continuïteit moest worden gegarandeerd door wettelijke verankering. Zowel in het instellingsbesluit als in de memorie van toelichting werd die ambitie expliciet uitgesproken. De gedachte was logisch en staatsrechtelijk zuiver, de bestrijding van discriminatie en racisme is geen project, geen tijdelijke beleidsprioriteit, maar een permanente opdracht van de democratische rechtsstaat.
Toch gebeurde er jarenlang niets. Achtereenvolgende ministers van Binnenlandse Zaken en opeenvolgende kabinetten durfden de stap niet te zetten. Het bleef bij goede woorden. Politiek opportunisme won het van institutionele moed. En vervolgens kwamen de jaren van stilstand. Onder het kabinet-Schoof werd wegkijken beleid. De bestrijding van discriminatie en racisme verdween naar de randen van de politieke agenda, precies op het moment dat maatschappelijke spanningen toenamen. De cijfers logen niet: discriminatie nam toe, het publieke debat verhardde en vertrouwen van gemarginaliseerde groepen in de overheid kwam verder onder druk te staan.
Een democratische rechtsstaat kan zich die luxe niet permitteren. Juist daarom verdient het huidige kabinet erkenning. Het kabinet-Jetten kiest ervoor niet langer weg te kijken. Door de NCDR wettelijk te verankeren wordt een principiële keuze gemaakt: de strijd tegen discriminatie en racisme hoort niet afhankelijk te zijn van politieke windrichtingen, maar moet institutioneel worden geborgd. Dat is geen symbolische stap, het is een fundamentele versterking van onze democratische infrastructuur. Immers, wetgeving betekent stabiliteit. Het betekent duidelijkheid over mandaat, onafhankelijkheid en verantwoordelijkheid. Het betekent dat burgers weten dat de overheid structureel waakt over gelijke behandeling. En het betekent dat beleid niet telkens opnieuw hoeft te worden uitgevonden wanneer politieke samenstellingen veranderen. Met deze stap zegt het kabinet in feite: gelijke waardigheid van mensen is geen onderhandelingspunt. Hier ben ik heel erg blij mee.
Als Nationaal Coördinator zie ik mijn rol daarbij helder. Niet als criticaster aan de zijlijn, maar als betrouwbare partner van regering, parlement en samenleving. Mijn opdracht is niet politiek, maar normatief: bijdragen aan een Nederland waarin artikel 1 van de Grondwet geen abstract beginsel blijft, maar dagelijkse praktijk wordt. Daarom kijk ik nu nadrukkelijk vooruit. Het coalitieakkoord schept verwachtingen, en terecht! Ik verwacht dat Pieter Heerma, de nieuwe minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties deze afspraak zonder mitsen en maren uitvoert. Dat betekent snel overleg, duidelijke keuzes en voortvarende stappen om de wettelijke verankering zorgvuldig vorm te geven. De tijd van intenties is voorbij. Dit is het moment van uitvoering. Wij staan klaar. Met kennis, ervaring en een breed maatschappelijk netwerk. Niet om te vertragen, maar om te bouwen. Niet om te polariseren, maar om te versterken wat ons als samenleving bindt. De belofte is gedaan. Nu is het tijd voor handelen.
Rabin Baldewsingh,
Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme