Elk jaar opnieuw kijken we naar dezelfde grafieken. Elk jaar opnieuw zien we dezelfde lijnen, en die lijnen gaan maar één kant op: omhoog. In 2025 ontvingen de antidiscriminatievoorzieningen (ADV’s) 25.356 meldingen, blijkt uit de MAR Rapportage die eerder deze maand is aangeboden aan minister Pieter Heerma. Nog nooit waren het er zoveel.
En ook bij andere instanties zien we dezelfde ontwikkeling: de politie registreerde duizenden discriminatie-incidenten, waarvan alleen al bijna 5.000 op grond van herkomst. Meldpunten voor online discriminatie zagen het aantal meldingen in enkele jaren oplopen van enkele honderden naar meer dan 800. En bij het College voor de Rechten van de Mens blijven de aantallen oordelen en meldingen stabiel hoog, met chronische ziekte, geslacht en herkomst steevast in de top van discriminatiegronden. En toch: niemand die nog echt verrast is.
Laat dat even op u inwerken. We zijn een land geworden waarin stijgende discriminatiecijfers ons nauwelijks nog doen opschrikken. Waarin we constateren, analyseren, duiden, en vervolgens doorgaan. Alsof het een natuurverschijnsel is. Iets wat erbij hoort. Iets waar we geen grip op hebben. Maar dat is niet zo. Immers, dit zijn geen cijfers. Dit zijn mensen. Mensen die zich buitengesloten voelen. Mensen die ongelijk behandeld worden. Mensen die dagelijks ervaren dat ze er blijkbaar niet vanzelfsprekend bij horen. En we weten één ding zeker: dit is nog maar het topje van de ijsberg. Het zogenaamde dark number is vele malen groter. Dus de echte vraag is niet: hoe hoog zijn de cijfers? De echte vraag is: waarom accepteren we dit nog?
Wat deze cijfers extra pijnlijk maakt, is dat de patronen inmiddels bekend zijn. Discriminatie op grond van herkomst staat al jaren op nummer één. Moslimdiscriminatie blijft structureel hoog. Discriminatie van transgender personen is buitenproportioneel. Anti-zwart racisme blijft hardnekkig aanwezig. En wat zien we daarnaast? Een normalisering van vijandigheid. Steeds vaker gaat het om beledigingen, scheldpartijen, vernedering. In de openbare ruimte. Online. In het dagelijks leven. Het wordt bijna gewoon gevonden om mensen aan te spreken op wie ze zijn en niet op wat ze doen. Dat is geen incident meer. Dat is een cultuurprobleem. En die cultuur wordt mede gevoed door het publieke debat. Door woorden die polariseren. Door beelden die stigmatiseren. Door politiek die soms eerder olie op het vuur gooit dan dat zij verantwoordelijkheid neemt. Ook dat zien we terug in de cijfers. Dus laten we stoppen met doen alsof dit ons overkomt.
Discriminatie in Nederland is geen toevalligheid. Het is structureel. Het is systemisch. En het is, laten we eerlijk zijn, ook een gevolg van politieke keuzes. Of beter gezegd: het gebrek daaraan. Want waar blijft het beleid dat deze cijfers daadwerkelijk omlaag brengt? Waar is de structurele investering in preventie, handhaving en bewustwording die verder gaat dan symboliek? Waar is de lange adem die nodig is om dit probleem bij de wortel aan te pakken? We hebben jarenlang ingezet op bewustwording. Gesprekken. Dialoog. Dat was nodig. Maar het is niet genoeg. Bewustwording zonder consequenties verandert niets. Het is tijd voor een volgende fase. Een fase waarin we discriminatie niet alleen benoemen, maar ook begrenzen. Een fase waarin we niet alleen signaleren, maar ook ingrijpen. Een fase waarin we niet alleen moreel verontwaardigd zijn, maar bestuurlijk verantwoordelijk handelen.
Dat betekent normstelling. We moeten als samenleving opnieuw en duidelijk vaststellen wat wel en niet acceptabel is. Discriminatie is geen mening. Het is een schending van fundamentele rechten. Dat betekent beleid met tanden. Geen vrijblijvende plannen, maar concrete maatregelen. In onderwijs, op de arbeidsmarkt, in de publieke ruimte, online. Met duidelijke doelen, monitoring en bijsturing. En dat betekent structurele financiering. Wie dit probleem serieus neemt, moet bereid zijn erin te investeren. Niet incidenteel, maar structureel. Discriminatie bestrijden kost geld. Maar niets doen kost uiteindelijk veel meer: maatschappelijk, economisch en menselijk.
En dan de vraag die boven alles hangt: wie pakt dit op? De rijksoverheid? Gemeenten? Politieke partijen? Maatschappelijke organisaties? Het eerlijke antwoord is: allemaal. Maar dat begint met leiderschap. Met politieke wil. Met de bereidheid om verder te gaan dan het jaarlijks publiceren van cijfers en het uitspreken van zorgen. Want laten we helder zijn: als we volgend jaar opnieuw dezelfde stijging zien, en die kans is groot, dan kunnen we niet meer zeggen dat we het niet zagen aankomen. Dan hebben we het laten gebeuren.
Ik weiger daarin mee te gaan. Ik weiger te accepteren dat discriminatie een vast onderdeel wordt van onze samenleving. Ik weiger genoegen te nemen met het ritueel van meten, melden en weer doorgaan. Het is tijd voor actie. Niet morgen. Niet volgend jaar. Maar nu. Want elk cijfer dat we vandaag noteren, is een mens die we vandaag in de steek laten.