Online discriminatie is allang geen randverschijnsel meer. Het internet biedt ruimte voor ontmoeting, debat en verbinding, maar ook voor uitsluiting, haat en stigmatisering. Uit de Monitor Discriminatiezaken (MAR-reportage of Multi Agency Report) van 2025 blijkt dat online discriminatie steeds vaker voorkomt in de samenleving en dat dit ook steeds meer terug te zien is in de registraties van meldinstanties. Tegelijkertijd laat de rapportage zien hoe moeilijk het nog altijd is om online discriminatie goed in beeld te krijgen.
Dat begint al bij de vraag: waar hebben we het precies over? Het themahoofdstuk van de MAR laat zien dat online discriminatie geen eenduidig afgebakende categorie is. Verschillende organisaties registreren verschillende vormen van online discriminatie en gebruiken uiteenlopende definities. Daardoor ontbreekt nog te vaak een compleet beeld van wat zich online afspeelt en hoe ontwikkelingen zich door de jaren heen bewegen.
Sterke stijging van meldingen
Wat wel duidelijk zichtbaar is, is de toename van meldingen. Bij Meld.Online Discriminatie (MOD) steeg het aantal meldingen van 247 in 2022 naar 2.766 in 2025: een vertienvoudiging in drie jaar tijd. Die stijging laat zien dat online discriminatie niet een incidenteel verschijnsel is, maar een structureel maatschappelijk probleem vormt.
Vaak gaan de meldingen over discriminerende opmerkingen, haatspraak en stigmatiserende uitingen op grond van herkomst, nationaliteit of godsdienst. Daarbij spelen actuele maatschappelijke ontwikkelingen een grote rol. In 2025 hielden veel meldingen verband met discussies over het Midden-Oosten en het Nederlandse migratiebeleid. Ook op lokaal niveau ontstonden pieken, bijvoorbeeld rond de komst van asielzoekerscentra.
De MAR laat daarnaast zien dat bepaalde groepen online discriminatie aanzienlijk vaker ervaren dan anderen. Personen geboren in Nederland met een herkomst buiten Europa rapporteren relatief vaak online discriminatie-ervaringen. Hetzelfde geldt voor homoseksuele mannen, lesbische vrouwen en bi+ vrouwen. Ook religieuze minderheden worden hard geraakt: bijna een derde van de Joodse respondenten en vijftien procent van de islamitische respondenten geeft aan online discriminatie te hebben ervaren. Dat zijn geen abstracte cijfers. Achter iedere melding zit iemand die online wordt geconfronteerd met uitsluiting, vijandigheid of ontmenselijking. Juist omdat online en offline werelden steeds meer in elkaar overlopen, hebben zulke ervaringen ook offline impact: op het gevoel van veiligheid, op deelname aan het publieke debat en op vertrouwen in de samenleving.
Meer verantwoordelijkheid voor platforms
Tegelijkertijd laat de MAR zien dat veel mensen discriminerende uitingen online wel herkennen, maar ervoor kiezen om niet te reageren of geen melding te doen. Een belangrijke reden daarvoor is een beperkt vertrouwen dat melden daadwerkelijk effect heeft.
Daar ligt een belangrijke opdracht, zowel voor de overheid en meldinstanties, als voor online platforms zelf. Europese wetgeving, zoals de Digital Services Act (DSA) en de AI Act, moet platforms nadrukkelijker verantwoordelijk maken voor het signaleren en aanpakken van schadelijke content en discriminatoire uitingen.
De eerste effecten daarvan lijken zichtbaar. In 2025 diende MOD 85 verwijderingsverzoeken in bij platforms, waarvan 81 werden gehonoreerd. Dat betekent dat 95 procent van de gemelde discriminerende content daadwerkelijk werd verwijderd.
Maar wetgeving alleen is niet voldoende. Om online discriminatie effectief aan te pakken, is meer nodig: betere registratie, duidelijkere definities, hogere meldingsbereidheid en blijvende aandacht voor de impact die online uitsluiting heeft op mensen en groepen in onze samenleving.
Want discriminatie verdwijnt niet zodra een scherm uitgaat.