De berichtgeving over het niet verplicht stellen van de discriminatietoets heeft veel losgemaakt. Minister Pieter Heerma heeft besloten de toets, die juist bedoeld is om nieuwe vormen van institutionele uitsluiting zoals het toeslagenschandaal te voorkomen, niet verplicht te maken voor overheidsorganisaties.
Dat besluit is des te opmerkelijker omdat de Discriminatietoets juist zorgvuldig is ontwikkeld door de Staatscommissie tegen Discriminatie en Racisme als concreet instrument om beleid, wetgeving en uitvoeringspraktijken vooraf te toetsen op mogelijke risico’s van discriminatie en uitsluiting. Niet als symbolisch document voor in een lade, maar als praktisch hulpmiddel om nieuwe institutionele ontsporingen te voorkomen.
Na het toeslagenschandaal zei Nederland: “Dit nooit meer.” Tienduizenden ouders werden vermalen door een overheid die discrimineerde, profileerde en mensen zonder genade kapotmaakte. Parlementaire enquêtes volgden. Excuses werden aangeboden. Ministers traden af. We zouden lessen trekken. We zouden veranderen. Maar nu ligt er dus een concreet instrument op tafel: de Discriminatietoets Publieke Dienstverlening. Een toets die overheden helpt om beleid, processen en uitvoeringspraktijken vooraf kritisch te onderzoeken op risico’s van discriminatie en uitsluiting. Een toets die juist moet voorkomen dat systemen opnieuw ontsporen. Een toets die in pilots al aantoonde dat beleid en werkwijzen konden worden verbeterd. En wat doet Nederland? We maken hem niet verplicht. Waarom niet? Die vraag blijft door mijn hoofd spoken. Waarom is Nederland toch zo bang om goede zaken verplicht te stellen? Waarom kiezen we telkens voor vrijblijvendheid, terwijl de maatschappelijke schade van discriminatie en uitsluiting enorm is?
Discriminatie neemt toe. Racisme neemt toe. Polarisatie neemt toe. Het vertrouwen in de overheid daalt. Maar zodra het moment komt om structurele maatregelen te nemen, trekt politiek Den Haag zich terug in voorzichtigheid, pilots, experimenten en “lerende trajecten”. We zien hetzelfde patroon overal terug. Gemeenten worden niet verplicht om stevig antidiscriminatiebeleid te voeren. Er is nog steeds geen wettelijke verplichting voor een integrale lokale aanpak van discriminatie en racisme. Overheidsinstanties hoeven geen gelijkheidsimpactanalyses uit te voeren. Organisaties mogen zelf bepalen hoe serieus zij artikel 1 van de Grondwet nemen. Vrijblijvendheid is in Nederland bijna een bestuurscultuur geworden.
Maar gelijkwaardigheid is geen bijzaak. Mensenrechten zijn geen vrijblijvende ambitie. Gelijke behandeling behoort tot de kern van onze democratische rechtsstaat.
In landen als het Verenigd Koninkrijk en Ierland bestaan wettelijke gelijkheidsverplichtingen voor publieke instellingen. Daar moeten overheden actief aantonen hoe zij discriminatie voorkomen en gelijkheid bevorderen. Daar begrijpt men dat een overheid niet neutraal is als zij structurele ongelijkheid ongemoeid laat. En Nederland? Wij blijven discussiëren over de vraag óf we instrumenten verplicht moeten maken, terwijl burgers iedere dag de gevolgen ervaren van uitsluiting, wantrouwen en ongelijke behandeling. Wanneer dringt dit door bij de mensen die aan de knoppen zitten? Wanneer begrijpt de Tweede Kamer dat discriminatie niet vanzelf verdwijnt? Dat systemen zichzelf niet corrigeren? Dat goede intenties zonder verplichtingen te vaak eindigen in stilstand?
De waarheid is ongemakkelijk, maar we kunnen er niet langer omheen: zonder normstelling verandert er fundamenteel niets. Zonder verplichtingen blijft gelijkwaardigheid afhankelijk van toevallige bestuurlijke moed, van individuen die het verschil durven te maken, of juist niet, zoals we dat nog niet zo lang geleden hebben gezien. En precies die vrijblijvendheid heeft geleid tot diepe maatschappelijke wonden, tot wantrouwen in de overheid en tot tragedies zoals de toeslagenaffaire, waarin duizenden mensen werden vermalen door een systeem dat blind was voor menselijkheid en rechtvaardigheid.
Hoeveel signalen hebben we nog nodig? Hoeveel onderzoeken, excuses en parlementaire enquêtes moeten er nog volgen voordat we eindelijk begrijpen dat discriminatie niet vanzelf verdwijnt, maar actief bestreden moet worden? De vraag is daarom niet langer óf we instrumenten nodig hebben. Die vraag is al lang beantwoord. De echte vraag is: wie neemt verantwoordelijkheid? Welke minister staat op? Welke topambtenaar durft, in plaats van steeds weer mee te bewegen met de veilige stroom van bestuurlijke voorzichtigheid, eindelijk tegen de stroom in te zwemmen en werkelijk te luisteren naar de schreeuw uit de samenleving? En welke politieke partij heeft eindelijk de moed om niet alleen mooie woorden te spreken over gelijkwaardigheid, maar daar ook consequenties aan te verbinden? Ik wacht met smart. En met mij miljoenen Nederlanders die verlangen naar een rechtvaardiger samenleving.