Zelden heb ik de vergaderingen van de Tweede Kamer met zoveel ongemak gevolgd als in de laatste dagen voor het zomerreces. Als Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme kijk ik dagelijks naar de staat van onze rechtsstaat en naar de manier waarop wij met elkaar samenleven. Ik schrijf dit niet vanuit een politieke voorkeur. Integendeel. Mijn taak is niet om partijen te beoordelen, maar ontwikkelingen te duiden. En juist daarom voel ik de verantwoordelijkheid om mij uit te spreken wanneer de optelsom van politieke keuzes mij zorgen baart.
Vlak voor het zomerreces nam de Tweede Kamer een reeks moties aan die op het eerste gezicht weinig met elkaar te maken lijken te hebben. De motie van het lid Flach (SGP) om zich bewust afzijdig te houden van vermelding en erkenning van de Internationale Dag voor de Bestrijding van Islamofobie. De motie van het lid Coenradie (JA21) c.s. die beoogt dat politie-eenheden geen capaciteit, middelen of faciliteiten meer inzetten voor het organiseren van iftars. De motie van Keijzer c.s. die uitspreekt dat de Tweede Kamer in haar vergaderkalender uitgaat van de nationaal erkende feestdagen. De moties van Bikkers (VVD) c.s. en Jumelet (CDA) c.s. over een steviger aanpak van excessief verkeerslawaai. Daarnaast werden ook moties aangenomen van Boon en Wilders over de Moslimbroederschap en van Faber (PVV) over het niet indirect binden van Nederland aan zogenoemde islamitische mensenrechten.
Een enkele motie maakt nog geen politieke koers. Maar een reeks moties, gecombineerd met het afbouwen van antidiscriminatiebeleid en een steeds kritischer discours over diversiteit, inclusie en de pluriforme samenleving, vertelt wél een verhaal. En dat verhaal stemt mij buitengewoon somber. De signalen zijn al langer zichtbaar. Bij brief van 12 mei 2025 liet het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport weten zijn programma tegen discriminatie te beëindigen. Het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap besloot eerder het programma Aanpak Discriminatie en Racisme af te bouwen. Bij het ministerie van Binnenlandse Zaken kregen verzoeken om extra capaciteit en middelen voor de versterking van de discriminatieaanpak geen gehoor. En inmiddels ligt naar verluid ook bij het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het politieke voornemen op tafel om de inzet op antidiscriminatiebeleid, waaronder de aanpak van moslimdiscriminatie en religieuze dialoog, verder te de-prioriteren. Afzonderlijk lijken dit bestuurlijke keuzes. Gezamenlijk vormen zij een zorgwekkende ontwikkeling.
Die ontwikkeling zie ik ook terug in de debatten die de Tweede Kamer de afgelopen maanden voerde over integratie, maatschappelijke samenhang, emancipatie, discriminatie en racisme. Steeds vaker werd niet alleen gesproken over de aanpak van discriminatie, maar vooral over de vraag óf die aanpak nog wel nodig is. Over de legitimiteit van diversiteitsbeleid. Over inclusie. Over de pluriforme samenleving. Alleen waar het gaat om antisemitisme lijkt de urgentie nog breed te worden gevoeld. Laat daar geen misverstand over bestaan: die inzet is vanzelfsprekend noodzakelijk. Maar discriminatie laat zich niet opdelen in categorieën die wel of geen politieke aandacht verdienen. Artikel 1 van onze Grondwet maakt dat onderscheid immers ook niet.
Het stemt mij verdrietig dat juist in een tijd waarin onze samenleving steeds diverser wordt, de politieke reflex steeds vaker lijkt te zijn om verschillen te benadrukken in plaats van verbinding te zoeken. Neem de drie meest besproken moties. De Kamer spreekt uit dat zij uitgaat van de nationaal erkende feestdagen. Politie-eenheden zouden geen capaciteit of faciliteiten meer moeten inzetten voor het organiseren van iftars. En er wordt gevraagd strenger op te treden tegen excessief verkeerslawaai. Naar de letter zijn deze moties niet discriminerend. Maar politiek draait niet alleen om de letter. Ook context doet ertoe. Geen van deze moties is op zichzelf het probleem. Het punt is dat zij vrijwel allemaal hun politieke betekenis ontlenen aan dezelfde maatschappelijke groep. Daardoor ontstaat, stap voor stap, het beeld dat juist die groep telkens opnieuw onderwerp wordt van politiek debat en politiek wantrouwen. En dát is precies hoe maatschappelijke verwijdering ontstaat. Dat baart mij zorgen.
Steeds vaker lijkt de politiek de voorkeur te geven aan symboliek boven uitvoering. Nederland kent daar inmiddels voorbeelden van. Denk aan het gedeeltelijke verbod op gezichtsbedekkende kleding: een wet die jarenlang het politieke debat beheerste, maar waarvan de praktische betekenis nihil is gebleven. De politieke boodschap bleek uiteindelijk belangrijker dan het maatschappelijke effect. Dat is precies wat mij nu opnieuw zorgen baart. Niet omdat symbolen er niet toe doen, maar omdat zij steeds vaker de plaats innemen van werkelijk bestuur. Goed bestuur begint niet met het aannemen van moties die bestaande regels nog eens herhalen. Goed bestuur begint met het consequent toepassen van bestaande wetgeving. Voor iedereen. Zonder aanzien des persoons. Dáár zit de geloofwaardigheid van de overheid.
Nederland staat voor grote opgaven. De woningnood. De druk op de zorg. De arbeidsmarkt. De energietransitie. De bestaanszekerheid van miljoenen mensen. De veiligheid op straat. Het vertrouwen in de overheid. Dat zijn vraagstukken die vragen om politieke moed, visie en bestuurlijk leiderschap. In plaats daarvan zie ik een Kamer die kostbare politieke energie besteedt aan dossiers waarvan iedereen weet dat de praktische gevolgen beperkt zijn, maar waarvan de symbolische boodschap des te groter is. Dat is een gemiste kans. Sterker nog, ik vrees dat deze vorm van symboolpolitiek de onderlinge verhoudingen verder onder druk zet. Want iedere keer dat één groep impliciet wordt neergezet als probleem, groeit het wantrouwen. Iedere keer dat identiteit belangrijker wordt gemaakt dan gedeeld burgerschap, wordt de afstand tussen mensen groter. Dat is niet de samenleving die ik voor ogen heb. Nederland ís een pluriform land. Dat is geen ideologische keuze en ook geen tijdelijk experiment. Het is de werkelijkheid waarin wij leven. We wonen samen. We werken samen. We zorgen samen voor onze ouderen. Onze kinderen zitten samen op school. Onze economie draait dankzij mensen met uiteenlopende achtergronden. Juist daarom vraagt onze tijd om bestuurders en volksvertegenwoordigers die verschillen niet uitvergroten, maar overbruggen.
Leiderschap betekent niet dat conflicten worden ontkend. Integendeel. Leiderschap betekent duidelijke grenzen stellen waar de rechtsstaat daarom vraagt. Overtredingen streng aanpakken. Maar altijd op basis van gedrag, nooit op basis van afkomst, geloof of identiteit. Het wringt wanneer partijen die hun politieke traditie hebben gebouwd op vrijheid, terughoudendheid van de overheid en individuele verantwoordelijkheid zich tegenwoordig drukker lijken te maken over een iftarpauze of een claxon dan over de vraag hoe we het vertrouwen tussen burgers herstellen. Vrijheid verliest aan betekenis wanneer zij selectief wordt toegepast of ondergeschikt raakt aan politieke beeldvorming.
Als hoeder van Artikel 1 van onze Grondwet kan ik daar niet achteloos aan voorbijgaan. Juist nu hebben wij behoefte aan politici die rust brengen waar onrust ontstaat. Die nuance verkiezen boven slogans. Die mensen verbinden in plaats van tegenover elkaar zetten. En die hun kostbare tijd besteden aan het oplossen van de echte problemen van Nederland. Want polarisatie wint misschien verkiezingen. Maar zij bouwt geen samenleving. En uiteindelijk is dat precies waarvoor politiek bedoeld zou moeten zijn.